Johannes Catharinus (Jan) van der Veur (1805-1894) studeerde theologie in Utrecht ten tijde van de Belgische Revolutie (1830).1Zie het artikel Belgische Revolutie op Wikipedia. Op 7 oktober 1830 werd de Compagnie Vrijwillige Jagers van de Utrechtse Hogeschool opgericht en Jan van der Veur was een van de 253 studenten die zich hierbij aansloten. Tot juli 1831 werden zij ingekwartierd in een aantal Brabantse steden. In augustus 1831 namen zij deel aan de Tiendaagse Veldtocht. Bij terugkeer ontvingen ze een gedenkpenning van de hogeschool2Erepenning vrijwilligers van het Utrechts Studentencorps Tiendaagse Veldtocht, collectie Centraal Museum. en een erekruis van de koning. In 1839 werd de compagnie officieel ontbonden, maar nog tot 1889 werden er reünies georganiseerd.3Het Utrechts Archief: 712-2 Compagnie vrijwillige jagers der Utrechtse hogeschool‘4Mr. J.W.C. van Campen (1932) “De vrijwillige jagers der Utrechtse Hoogeschool en hun reünies“, Jaarboekje van “Oud-Utrecht”, 1932, p. 109-140.
Onderstaande tekst met fragmenten uit Jans dagboek werd onder de titel “Dagboek van Johannes Catharinus van der Veur, vrijwillige jager der Utrechtse Hoogeschool” in 1939 gepubliceerd in de Middelburgschge Courant.5“Dagboek van Johannes Catharinus van der Veur, vrijwillige jager der Utrechtse Hoogeschool” in de Middelburgschge Courant: deel 1, 1 juli 1939; deel 2, 3 juli 1939; deel 3, 4 juli 1939; deel 4; 5 juli 1939; deel 5 (slot), 6 juli 1939. In het dagboek noemt hij ook een aantal familieleden, onder wie zijn broers Willem, “welke in den Bos in garnizoen leide”, en George, die “een officier van de Belgen gevangen heeft genomen”, en neef J.S.S. van der Veur. Zijn verhaal besluit met een persoonlijke ontmoeting met prins Willem, de ‘held van Waterloo’.
Dagboek van Johannes Catharinus van der Veur, vrijwillige jager der Utrechtse Hoogeschool
Na den val van Napoleon werd in gevolge van een besluit, genomen op het Weener Congres, de voormalige Republiek der Geunieerde 7 Provinciën met de Zuid-Nederlandsche gewesten vereenigd tot één koninkrijk. ’t Bleek echter steeds meer en meer, dat deze vereeniging slechts in naam, niet in de daad bestond. Beide partijen hadden te verschillende belangen. In het Zuiden werd men steeds ontevredener, en eindelijk leidde dat tot het Brusselsch oproer van 25 Augustus 1830. De mare hiervan verspreidde zich spoedig door de Noordelijke provinciën, met resultaat, dat adressen van gehechtheid aan koning en vaderland en van vrijwillige dienstaanbieding bij den koning binnenstroomden. Koning Willem I maakte echter pas in October gebruik van die aanbiedingen, nadat de zending van een legercorps onder den kroonprins en prins Frederik naar Brussel om den opstand te dempen mislukt was.
Uit een ordonnantie van het Departement van Oorlog d.d. 7 October 1830 blijkt, dat ook een verzoek om het land te mogen dienen was binnengekomen van het Utrechtsch studentencorps. Blijkens bovengenoemde ordonnantie werd toch bepaald, dat genoemd corps werd erkend deel van het leger uit te maken onder de benaming van “de compagnie vrijwillige jagers van de Utrechtse hoogeschool”.
De hieronder genoemde studenten nu verzochten als buxjagers bij dit vrijwilligerscorps der Utrechtse hogeschool geplaatst te worden en zij verbonden zich tot de betaling van een bux met den hartsvanger.
J. C. van der Veur, W. L. van Heeckeren van Brandsenburg, R. van der Voort, P. C. Walland, J. F. Steengracht, F. de Voogt, C. A. A. van Pallandt, W. C. M. de Jonge van Ellemeet, E. R. N. d’Abo, H. van Lith de Jeude, R. J. C. Metelerkamp, R. H. Broers, J. M. van Pabst tot Bingerden, M. A. A. Beelaerts, D. J. S. van Royen, M. J. van Hengelaar, H. W. Everts, O. R. Bisdom, H. J. Asman, J. E. Pisters, P. F. van den Steen, C. H. Prins, H. F. Mallinckrodt, C. Speelman, J. J. Kreenen, A. Westenbrink Meijer, T. van de Beek, A. P. van Citte J. J. Scheuer.
Eerstondergeteekende Johannes Catharinus van der Veur, (grootvader van den tegenwoordigen gemeentesecretaris van Middelburg, mr. M. W. G. v. d. Veur, geboren te Neede op 30 December 1805 als zoon van Willem van der Veur en Maria de Jong en overleden te Zoelmond op 5 Januari 1895, na aldaar het predikambt bekleed te hebben gedurende de jaren 1841-1878, is volgens zijn zakboekje op den 12den October op 1830 als vrijwillige jager gedurende den nood des Vaderlands bij het korps aangekomen. Hij heeft zijne bevindingen opgeteekend in een dagboek, waarvan helaas enkele fragmenten verloren zijn geraakt. De onopgesmukte wijze, waarop dit dagboek samengesteld is, rechtvaardigt zeker de uitgave daarvan.
Het begin van het dagboek ontbreekt. Ter aanvulling hiervan kan dienen, wat P. H Craandijk in “de vrijwillige jagercorpsen van 1830-1831” vermeldt. Daar kan men lezen, dat de compagnie vrijwillige jagers van de Utrechtsche hoogeschool, na zich van 7 October tot 11 November grondig geoefend te hebben, op laatstgenoemden datum uit Utrecht vertrok. Het eerste nachtkwartier werd te Gorcum gehouden. daar trok men te voet over Oosterhout, Breda en Roosendaal naar Bergen-op-Zoom.
Van nu af aan kunnen we het dagboek volgen tot en met den 1sten Augustus 1831.
“Den 13den (November 1830) marscheerden wij tot Rozendaal, daar wij door het muziek der 5de afdeling wierden ingehaald. Met Dornseiffen wierd ik ingekwartierd bij den Heer Gerrits, ontvanger der Registratie, alwaar wij des avonds na een mars van 17 uren vermoeid aankwamen en delikaat onthaald wierden. Des avonds in het koffijhuis den Roskam veel vermaak gehad met de officiren der Huzaren.
Den 14den marscheerden wij naar Bergen op Zoom. Te Wouw, een klein dorpje, waren wij een uurtje van het vijandelijk leger en tusschen Wouw en Bergen op Zoom passeerden wij eenige bossen, waarin de muiters lagen op ons te loeren, doch zich toen niet dorsten te vertonen. Wij gingen deze bossen door onder het zingen van vaderlandsche liederen. Te Bergen op Zoom den wij gedeeltelijk ingekwartierd in een groot huis van den Heer Wijnmalen, geweze postmeester, tans agent der Maatschappij der Volksvlijt, en gedeeltelijk bij borgers ingekwartierd. Ik kreeg een plaats in bovengenoemd huis in een kamertje, alwaar 9 kribben waren: 1 voor de chergant van Leeuwen, 2 voor mij, 3 voor Kastele, 4 voor van Zorgen, 5 voor Landré, 6 voor J. La Roi, 7 voor Ruis, 8 voor P. Hijdanus, 9 voor J. de Louter. Hier wierd voor ons algemeen gekookt en alles op een militaire voet geregeld en hier den 15den mede doorgebragt.
Den 16den wierd ik met 24 mijner kameraden als een poortwagt gebruikt. Hier hadden wij 5 wagten, die om de 2 uren moesten afgelost worden, 3 op de bastions de Koehoren, Pucaele en Bele vue (lees Pucelle en Belle Vue). Het bastion de Koehoren en de wagt aan de poort is ons ter verdediging gegeven, dit is het bastion en de poort naar Antwerpen. Eene wagt was aan een kruidmagazijn bij de bastion Stoelemat. De wagt bij deze poort duurt 24 uren.
Den 17den des morgens hadden wij inspexi gehad voor de kroonprins buiten de stad, die ons naderhand op de wagt kwam opzoeken en naar onze namen vroeg en 4 uur een mondgesprek met ons hield.
Den 18den 12 uren van de wagt gekomen. Des avonds een koncert bijgewoont voor het vaderland, dat zeer slegt was.
De 19de kamerwagt gehad en dus den gehelen dag te huis gezeten en dit joernaal tot hiertoe geschreven op mijn krib, des avonds onder ons pons gedronken, daar Kastelen op kamers ging wonen en dit tot een afscheid gaf.
Den 19den des morgens gezamentlijk in de grote kerk geweest, daar Dominus Winwierkel (welke voor 15 jaren een Protestantsche gemeente te Antwerpen had opgerigt en met deze omstandigheden vandaar in deze gemeente was komen vlugten) horen prediken; daarna op eene plaats in de stad een bij de gevangen poort geweest, alwaar onze plaats bij aanvallen van den vijand zoude zijn om uitvallen te doen. Aldaar door de Generaal geinspecteerd. Het gerugt gehoord, dat op morgen den 20sten een aanval op deze stad zoude gedaan worden.
20 October: (lees November). Smorgens het gerugt gehoord, dat de muiters 2 uren van de stad: te Rozendaal geslagen waren, 40 gekwetst en gedood, vee gevangen genomen. Van 12 tot 24 geexerceerd. Smiddags voor het eers het soldatentraktement ontvangen, f 6.45.
21 Niets bijzonders.
22 des morgens geexerceerd, ’s avonds gezamentlijk een ponspartijtje begonnen.
23. Des morgens de wagt betrokken aan de Bospoort met ons 30 man, des nagts op een der voorposten door een muiter geschoten, des nagts 14 posten bezet, zoodat ik 9 uren in den nacht schilderde, dit is den eersten nacht, waarop het gevroren heeft en wel een pijpesteel dik, op de wagt geweest onder de luitenand Salemon Huigens van Leiden.
Den 24sten ’s morgens 12 uren afgelost, des avonds bij Ter Bruggen geweest en verder in de kazerne geweest en alles in orde gebragt, daar ’s nachts een alarm verwagt wordt.
25. Niets bijzonders.
26. Niets bijzonders.
27. Zaturdag niet geëxerceerd. Van Leeuwen door de krib gevallen.
28. In de kerk geweest bij Dominus Vorstman, ’s avonds geweest bij den heer Smelzer.
29. ’s Avonds bij ter Bruggen geweest op de kamer van Ravenswaai, daar naar Utrecht geschreven.
30. Des morgens de wagt betrokken onder Luitenant Pluim van Zwol. Den nacht en dag stil afgelopen.
1 December 1830.
’s Morgens met 50 jagers en 600 militairen op verkenning geweest naar Wouw, vanwaar 18000 Gulden in aantogt zouden zijn.
Rozendaal den 6de December 1830.
Den 4den December des morgens van Bergen op Zoom vertrokken op mars. Tot Wouw bij de troep gebleven. Daar wierdt ik geplaatst als kwartiermaker. Naar Rozendaal met 2 man der schutterij de troep vooruit geloopen en te Rozendaal geïnformeerd of er ook vijandelijke troepen in lagen. Na alles klaar bevonden te hebben naar het stadhuis gegaan, aldaar de komst der troepen gemeld en dezelve ingewagt. Des middags inspexi gehad voor den Generaal Boereel (lees Boreel). Dezen nagt hadden zich de Bregans bij dit dorp vertoond, doch waren in den morgenstond weder opgerukt. Te Rozendaal wierdt ik ingekwartierd met 7 mijner kameraden, nl. Dornseiffen, van Sorgen, De Rooy, Roesket, De Lauter, Sleidanus en Prins bij eenen gewezen bierbrouwer De Quakelaar welks dogter de zonderlinge naam had van Dymphna Elizabet. Deze Quakelaar was zeer te onvreden en liet ons met een wijnig stroo op de stenen, voor 5 man 2 wolle dekens, slapen.
Den 5den December des morgens 7 uren apel op de mart, waarop de generaal tegenwoordig is. 11 uren weder apel. Des middags gegeten bij Adriaan Engelen met Dornseiffen, herelijk vlees met aardappelen. Des middags kwam bij Quakkelaar eene Mejuffrouw Knipschaar. Deze dame bewoog ik mij en Dornseiffen bij haar aan huis te nemen, daar zij maar 2 officiren ingekwartierd had. Deze goede dame was vriendelijk genoeg ons een zeer goed bed in te ruimen. Des avonds 9 uren begaven wij ons derwaarts en sliepen voor het eerst weder in 4 weken op een bed.
Den 6den des morgens 7 uren weder op het apel en van daar naar Quakelaar om te ontbijten. Zoo sliepen wij bij Knipschaar en aten en waren wij overdag bij Quakelaar.
Den 6den des middags geexerceerd. Des avonds bij Quakelaar S’Nikolaas gehouden. S’middags eene militaire wandeling gemaakt naar Wouw.
7 December. Weze verkennen op den weg naar Breda.
8 December. Des morgens de hooftwagt betrokken, van 6-8 geschilderd voor het huis van de groot-majoor, des avonds 2 spionnen op de warf gebragt door marechasees. Gedurende den nacht een aanval verwagt van de insurgenten op Rozendaal onder aanvoeren van den Franschen generaal Melinet.
9. Van de wagt gekomen s’avonds Van Sette bij mij en Dornseiffen op onze logeerkamer bij den Heer De Bakker een fles wijn gedronken. Men vreest nog steeds voor een overompeling van de Belgen.
S’morgens met Dornseiffen de wegen opgenomen om het dorp om bij overompelingen van den vijand een goeden aftogt te weten. S’middags tiralliers exercitie gemaakt op de weg naar Breda. S’avonds met de Vuller onze huisgenoten getrakteerd op pons. Gekaart. Dornseiffen en de Vuller ongenoegen gehad. Onzen huisheer trakteerde na het soepe op Flip, een aangenamen drank gemaakt van wit bier en witte wijn met suiker naar de smaak.
11. Mij gereed gemaakt voor een inspexi, die den 12den zal zijn, geholpen door een oppasser, welken ik 2 stuiver daags gaf, een Zwitser, Hottinger genaamt. In ons kwartier bij de Bakker te Rozendaal hadden voor ons gelegen een opperwagtmeester G. I. Te Boekhorst van de dragonders, die bij eene affaire te Ette een uur van hier zich dapper gekweten heeft en hiervoor op dit oogenblik op de lijst geplaatst is om de ridderorde te ontvangen. Den anderen was eene Bruinink, forier bij dit wapen.
Den 12 Zondag. Des morgens den horen gepoleist. Dornseiffen voor het eerst de wagt betrokken op de weg naar Nispen. Hem aldaar eten gebragt op de plaats van den heer Woldringa, gewezen predikant; alwaar voor de deur een officier der huzaren gekwets is geworden. Des avonds met den opperwagtmeester Boekhorst en 6 andere wagtmeesters uit geweest.
Den 13den December des morgens gereed gemaakt om mede te gaan patroellieren als piket gedurende den nacht. Om 11 uuren 18 gevangen op de mart zien komen.
13 December. Niets bijzonders.
14. Des nagts piket medegemaakt naar Nispen voor de veldontdekking, te Esse een Brigant op schildwagt zien staan.
15. Niets bijzonders.
16. Een sapeur, Zwitser, die 15 jaren diend en 7 campagnien mede gemaakt had, door een schutter dood geschoten, die aan het geweer iets deed.
17. Niets bijzonders.
18. De wagt op de Antwerpse avance.
19. Niets bijzonders.
20. Van der Voort en van Doorn in kwartier gekomen.
21. De 5de afdeeling binnengekomen.
22. De Baterije buiten Rozendaal zien maken. De wagt bettrokken.
Van 23 tot 29 niets bijzonders.
29. Van der Voort jarig; op zijn verjaardag een tulleband prezent gekregen van onze hospes.
30 December. Een tulleband prezent gekregen van mijn hospes en een plaizirigen avond doorgebragt.
31 December. Des avonds een partijdje er gehad. De tijding gekregen, dat de Belgen dien nacht voornemens waren een aanval en op Rozendaal te wagen.
1 Januarij inspexi gehad in grand tenu voor de Generaal Boureel (lees Boreel).
2. Weder in grand tenu aangetreden.
3. De tijding gehoord, dat de Belgen Mastrigt wilden bezetten en bebombarderen.
4. Des avonds de tijding ontvangen, dat wij des morgens moesten marcheren naar Tilburg en hiervoor alles gereed gemaakt.
5. Des morgens 8 uren uit Rozendaal getrokken en naar Breda gemarcheerd. Te Ette de Groninger student ontmoet; des middags 3 uren te Breda aangekomen. Aldaar met Dornseiffen ingekwartierd bij een bakker Timmermans. Des avonds in alle koffijhuizen eens gekeken met v. d. V. en Dsns. Door van Geen geinspecteerd.
6. Des morgens 8 uren naar Tilburg gemarscheerd, aldaar aangekomen te 3 uren. Terstond de wagt betrokken. Ingekwartierd bij Sanderse, een metzelaar, een zeer goed kwartier met v. d. Voort, Dornseiffen en van Doorne.
7. Van de wagt gekomen.
8. Hier te Tilburg maken wij de 2de linie uit en verwagten alle ogenblikken verder op te marcheren. Hier leggen nu de grenadiers, kurassiers en artileri.
9. De Generaal Van Saxen Wijnaar (lees Weimar) zien vertrekken naar de omstreken van Mastrigt.
10. J. De Generaal van Geen wordt hier verwagt, doch niet aangekomen. Geinspecteerd door de kolonel der grenadiers De Klerk. Orders ontvangen op het horen van 3 kanonschoten terstond marsvaardig op den heuvel voor de hoofdwagt gereed te staan.
11-20. De wapenstilstand besloten door de Mogendheden.
21-23. Niets bijzonders als den 22 kennis gemaakt met Sjoke Kiwiet. Den 22 ook een brief ontvangen van mijn broeder Willem, welke in den Bos in garnizoen leide.
24. De hoofdwagt betrokken.
25. Van de wagt gekomen. Op de wagt een Rus gesproken, die eerst voor 31 maanden wegens een duwel Moskowa verlaten hadt. Flugs was zijn naam. Hij sprak elf levende talen, had dertien wonden aan het hoofd en een menigte aan arme, bene en het ligchaam, liet er, zoover hij de mouwen konde opstropen en de broek, wonden zien, die hij Schumla op den Balkan, met Dibitz en andere, die hij te Navorino ontvangen had; hij was genoegzaam in alle veldslagen, die er gedurende zijn leven hadden plaats gehad, in alle landen gewond geworden, kende alle voorname steden en plaatsen, familien in Europa, was bij de 60 jaren oud en had na zijn vlugt uit Russeland bij ons dienst genomen onder de grenadiers. Hij was kolonel in Russischen diens en 4 malen met een kruis versierd, toen hij in een duel iemand dood stak, waarvoor hem rang en kruizen ontnomen zijn en zijn konsje gegeven is. Des morgens bij S. Kiwiet geweest en ook des avonds daar een pijp gerookt.
26. Des morgens verlof gekregen om naar Breda te gaan. Bij Sjo een bezoek afgelegd.
Oisterwijk 22 Julij 1831.
Het was het vertrek van Tilburg naar Einthoven en het verblijf aldaar, dat mij deed vergeten dit dagboek voort te zetten. Te Einthoven bleven wij 14 dagen en keerden weder in Tilburg terug, alwaar ik in kwartier ben gekomen bij J. A. van Meurs met F. Rose. 2 uren van Tilborg wierd er een kamp opgerigt bij het dorpjen Rijen. Door het verwisselen van troepen in het kamp moesten wij te Tilburg plaats maken voor de troepen, die uit kamp 3 kwamen. Zuidhollandsche schutters en de Jagers van van Dam namen onze kwartieren in en wij vertrokken naar Oisterwijk. Oisterwijk is een groot dorp, waar uiterlijk veel welvaren schijnt te zijn, doch dat een arm dorp is vol Joden. Men vind er een Protestante, Roomsche en Jode Kerk en op de mart een lindeboom van een konsiderabele dikte, waar in de stam een denneboom staat te groeijen. Een watertje, de Dommel, maakt hier de gehele streek regt aangenaam. Den Honsberg, een ½ uur van het dorp gelegen, is een vrolijk aangelegd bos met herten, vijvers en slingerpaden, behoort aan den Heer van Linden. Met het uitdelen der billetten wierd er F. Rose en mij een gegeven bij Thomas Habraken, een arme klompemaker, wiens vrouw voor eenige jaren gestorven is en die nu met 1 zoon en een klein meisje leeft. Deze man kookt zelf de pot, die hij met een spaanderd omroert, keuke, slaapplaatsen, klompenmakerij en verblijfplaats zijn alle in een vertrek. Toen wij dit kwartier binnenkwamen, besloten wij terstond hier niet te blijven. Zoo zogten en vonden wij eene gelegendheid bij Botsen, een pensioen trekkend komies, die plaats voor ons had en waar het er beter uitzag. Wij maakten akoord met deze man om alle dagen 5 stuiver op het billet toe te geven. De slegte slaapplaats bij dezen Botsen deed mij den volgenden dag weder van daar vertrekken naar mijn oud kwartier bij T. Habrake. F. Rose maakte akoord om te blijven en een vrije kamer te hebben en ik ben bij de klompenmaker in kwartier gegaan, waar ik nu den 22 nog ben.
Met dezen dag wil ik weder beginnen mijn dagboek voort te zetten.
Oisterwijk den 22 Julij 1831 (lees 23 Julij 1831).
Heer Heer het is vier uur geslagen, belieft u op te staan was het eerst, wat ik op dezen dag hoorde ik had namelijk mijn Tomaske verzogt mij des morgens vroeg te roepen, opdat ik vroeg zoude kunnen uitgaan om mijne fleure of zetlijnen op te halen. De armoede van mijn Tomaske, die op de tafel genoeg te zien was, noodzaakte mij op de jagt en visscherij uit te gaan en het vlees op deze wijze te schaffen. Een ongelukkige vangst bedroefde altijd mijn Tomaske. Ніj wist dan niet, hoe hij het met mij maken zoude. O beste Heer, zeide hij dan, gij moest een ander kwartier hebben en toch zoude het mij zoo spijten u te zien vertrekken. Terstond na den eten begaf ik mij in het stroo om een middagslaapje te houden, doch hoe onzagt wierd ik wakker gemaakt. Graafland komt de geitestal inlopen en schreeuwt al „Van de Veur kom gaauw, er is alarm geblazen, kom en help mij eerst mijn geweer in elkander zetten.” Dit deed ik en pakte daarna mijn ransel en trok naar de mart. Terstond naar het kamp om eene inspexi voor de koning te maken, hoorde ik roepen en ook bevestigen. Inderdaad wij trokken des middags 1½ voorwaarts. Te Tilborg hielden wij een uur stil. Het innemende Grietje van Antje Timrot uit het logement op de mart in het Zwaard stond mij terstond voor en ik begaf mij met de uitgerekte passe van een verlangenden derwaarts. Mijn neef J. S. S. van der Veur, die een trouwe aanbidder was in dit huis van de zuster Mieke, vond ik hier. Wij 3 dronken hier een fles wijn met Perk uit de Betuwe, korporaal bij de vrijwillige Jagers van Van Dam. Het was vier uren, toen wij onze mars voortzetten en 7 uren, toen wij te Hulten aankwamen. Hulten is een groot buurschap, dat zelf een borgermeester heeft, niet ver van het kamp en aan de straatweg van Breda op den Bos. Hier wierden wij gelijk de schapen met pak en zak de schuren ingedreven, zonder voeding. Zoo lagen wij daar in het hooi met een hongerigen buik en de zon gaf reeds zijne laatste stralen. Met 3 van mijne kameraden, de Haart, Dornseiffen en van den Steen Jr. begaf ik mij naar een boer, die ongeveer een kwartier vandaar woonde. Bij dezen eenvoudigen man stormden wij binnen en dwongen hem om voor ons pannekoek te bakken. Allen waren reeds op hunne plaatsen, toen ik in de schuur aankwam. Ik vleide mij neder en sliep.
24 Julij.
Te negen uren vertrokken wij naar Oisterwijk. Te Tilburg bleven wij 5 uren rusten en kwamen 4 uren weder te Oisterwijk aan. Te Tilborg in den Gouden Appel aten eenige Jagers met mij zeer goed en betaalden 6 stuiver. Daar sprak ik Vollenhoven van Rotterdam, Kastele en meer kennissen. Des avonds moest ik weder op de wagt.
25. Tien uren wierden wij afgelost, het overige van den dag bragt ik tehuis door. S’nademiddags ben ik na den Hondsberg gegaan om te zien, of daar iets te jagen was.
26 Julij. Met Touré den ganschen morgen in de bossen gelegen en op houtduiven geschoten.
27. Des morgens in het Gasselsche Broek gaan jagen en met den Heer van Hal, sekretaris alhier, en den burgermeester van Moergassel. 1 snep, 1 eend, 1 kiwiet en 1 waterhoentje tehuis gebragt. Den ganschen dag door de modder en het water gebaaid. Bij de burgemeester een fles wijn weze drinken en zoo weder op Oisterwijk afgemarscheerd. Deze aardigheid brak mij lelijk op. Dat nat, de warmte van den dag en de fatigen van zulk een jagt kon ik niet verdragen. Den ganschen nacht door braakte ik verschrikkelijk en sliep niets.
28 Julij. Het was 4 uren des morgens, dat Tomasken opstond en voor mij wat thee kookte. Dezen geheelen dag ben ik tehuis gebleven en heb dit dagboek aangevuld.
29 Vrijdag.
Des s’morgens 7 uren de wagt betrokken.
30. Des morgens 7 uren afgelost. Bij van Setten en Schermbeek geweest, patroontassen gepoetst; nademiddag met Van der Voort en Dornseiffen weze zwemmen.
31 Julij 1831 Zondag.
Des morgens ter kerke geweest bij Ds. …….
Gepredikt over Paul: brieven aan de Tessalon: 11br. 11H. 1 en 2de vers. Nademiddag is bij mij gewees J. de Jager van den Udenhout. Deze oude jager, dien ik was wezen opzoeken en mijn liefhebberij voor de jagt verteld had, bragt mij een konijntje prezent. Afgesproken Dinsdag bij hem te komen vissen en jagen.
1 Augustus 1831.
Maandag des morgens 6 uren met het 4de pallaton weze schijfschieten. Daar hoorden ik voor stellig vertellen, dat wij aanstaande Vrijdag weder naar Tilburg zouden vertrekken. Nolda van Lindt des morgens een konijntje voor mij gebraden, daar mijn Tomaske hiermede niet kan teregt komen. Des morgens onverwagt de tijding ontvangen om morgen den 2den te 6 uren te Hilvarenbeek te zijn, teneinde de vijandelijkheden te beginnen met Belgien den om des anderen daags 11 uren te Poppel te zijn op Brabands grondgebied. Op het apel te 5 uren de orders ontvangen om des nachts te half één uren aan te treden en één uren te vertrekken. Een aangenamen indruk maakten de voorgeleze orde op mij, maar tevens verwekte dezelve een nadenken over mijn lot, mijne lieve ouders en familie. Naar mijne ouders zeer kort geschreven, als ook naar mijn oom J. T. V. D. V. Na het apel 5 uren bij Dornseiffen in het kwartier alhier te Oisterwijk dit geschreven van dezen dag. Nu vrees ik echter, of ik in staat zal zijn dit geregeld voort te zetten.”
Of nu de auteur geen tijd gehad heeft zijn dagboek tusschen 1 en 9 Augustus te vervolgen, of dat een fragment verloren is gegaan, is niet meer te achterhalen. In elk geval zullen we weer een beroep moeten doen op Craandijk. Hier blijkt, dat de Utrechtsche jagers inderdaad 2 Augustus bij het aanbreken van den dageraad hun kantonnement te Oisterwijk verlieten. 5 uur in den morgen bereikten zij Hilvarenbeek, waar zij zich aansloten bij de koninklijke jagers en een bataillon 1 Geldersche schutterij. Zij overschreden in den middag den Belgischen grens bij het gehucht Rob Rover. Te Poppel vereenigden zich deze troepen met het gros der 3 divisie. Tegen den avond ontvingen zij bevel door te marcheeren tot Weelde, waar zij deels in huizen en schuren, deels in de open lucht overnachtten.
Den volgenden dag kreeg een batterij, voor wier dekking o.a. pelotons Utrechtsche jagers moesten dienen, order een. omtrekkende beweging naar Turnhout te maken. Toen die plaats bereikt was, waren de Belgische troepen in volle aftocht.
Den 4den Augustus werd gemarcheerd naar Gheel, waar men, nadat een korte rust te Casterlee gehouden was, om 2 uur in den middag aankwam.
5 Augustus trok men over Westerloo en Veerle naar Diest. Hier trof men aan op de markt Belgische infanterie, garde civiques en bereden marechaussees, die op de vlucht sloegen.
Den 6den Augustus was het rustdag.
7 Augustus vertrok de divisie naar St. Truyen.
Den 8sten Augustus werd opgetrokken naar Wimmertingen, gelegen aan den straatweg van Hasselt naar Luik, waar men op een troep vluchtelingen stuifte, die voor een groot deel gevangen genomen werden. Tegen den avond kwam de order om naar St. Truijen terug te trekken.
Vervolgen we weer ons dagboek!
“St. Truiden 9 Aug. 1831.
Dezen morgen kwamen wij hier te St. Truiden aan. Wij leiden een uur op de markt en kregen toen billetten. Ik kreeg met ons 20 een billet bij eene De Stassart, en het dorp op een kasteel woonde, dat nog afkomstig is van de Tempelridders; het behoorde aan de baron Celis. De Tempelridders van dit kasteel hadden den oorlog gedeclareerd aan de koning van Oostenrijk en hierop zijn zij allen in dit kasteel op eenen nacht verraderlijk vermoord. Vandaar vind men in dit kasteel de Oostenrijksche wapens.
Wij hadden des avonds 28 apel en des morgens vroeg van den 10 moesten wij weder op apel zijn, zoodat ik besloot niet weder naar mijn kwartier te gaan. Zoo ben ik dan ook deze nacht op de hoofdwagt gebleven.
10 Aug. 1831 te St. Truiden.
Des morgens 9 uren. Op dit oogenblik sta ik op de markt met pak en zak aan te schrijven. Wij moeten zoo vertrekken, maar weten niet waarheen.
Aan den avond van dezen dag zit ik in mijn kwartier. Wij zijn hierheen gekomen dezen morgen. Het dorp heet Orsmael en ligt 1½ uur van St. Truiden, zoodat wij dezen dag een kleine mars gemaakt hebben. Het plan was naar Tienen of Tierlemont te gaan. Dit is een klein stadje, zoo groot als St. Truiden. Doch hier leiden eenige Luikerwalen, die deze stad wilden verdedigen. 3 kwartier wierd er geschoten en eenige huizen in den brand. Hierop verliet de vijand de stad en dezelve wierd door de 7de afdeeling ingenomen. Deze afdeeling was er verleden jaar ook doorgekomen en toen hadden de borgers hevig uit de huizen geschoten.
Ik wierd hier ingekwartierd met ons 30 bij Jak: Matair, doch alles was hier opgegeten en leeg gedragen. Terstond ging ik op de roof en sloeg eenige eenden en hoenders dood, doch daar er onder de jonge luiden besloten wierd, dat ieder datgene zoude eten, hetgeen hij had, verliet ik het kwartier, hoewel ik voor mij genoeg had. Toen ging ik in kwartier bij Arn. Jacobs, een arme dagloner. Hiervorens nog 3 jagen, doch wij kookten samen de pot en die wierd getamentlijk goed. Daar kwam mijn broeder George aandragen met 4 fleschen wijn. Dit maakte mijn kwartier compleet onder het drinken van dit glaasje of neen wij drinken het uit kopjes. Zoo even hoor ik, dat mijn broeder George een officier van de Belgen gevangen heeft genomen. Deze heet Dablé, een ritmeester van de slapen in het stroo. Het ciers. Nu ga ik 9 uren. Nu ben ik in geen 10 dagen uit de klederen geweest. Den eenigen nacht, dien wij het hadden kunnen doen, ben ik op de wagt geweest.
11 Augustus des morgens heel vroeg vertrokken wij van Oirsmalen. Ik bragt nog een zieken Schaap weg, zoodat hij op de ambulance kon komen. Dit veroorzaakte, dat ik wat agteraan kwam. Wij rukten op naar Tienen. Hier zagen wij een zeer groot huis, dat in brand gestoken was door de onzen, doch het was spoedig overgegeven. Wij trokken door Thienen naar Noddebais hier spraken de burgers allen Fransch, een dorpje in een valei. De omstreken zijn hier fraai en vrugtbaar. Wij kwamen bij de kapitein bij de burgemeester in kwartier, waar 5 alles in overvloed was, doch niet door ons bekomen wierd, daar de kapitein zich kwaad gemaakt had op de soldaten, die te veel mede namen.
12 Aug. 1831 zijn wij des morgens 3 uren vertrokken om Leuven henen op een afstand van 2 en 1½ uur om deze stad van de andere zeide onverwagt in te sluiten. Wij maakten hiertoe dezen dag een mars van 6 uren. De gehele streek was hier schoon en vrugtbaar. Onze weg was overal door de avangarde gemaakt over het land om met den meesten spoed te avanceren. Des middags tegen 12 uren kwamen wij in de nabijheid van Leuven op de straatweg. Hier wierden verscheide Belgen gevangen genomen van de garde civiel, die des morgens uit de stad gevlugt waren. Onderweg hoorden wij een hevige kanonnade en geweervuur. Dit was van de 3de divisie, die van de Tiendermondsche kant tegen Leuven aangetrokken was.
Tegen 1 uren kregen wij Leuven en het geschut in het oog. Een gedeelte van onze artillerie begon vuur te geven tegen de tiralliers. Daar zag ik deze manschappen naast elkanderen nederstorten en al het verschrikkelijke van den oorlog scheen te beginnen. De stad begon te branden, het geschut donderden van alle kanten en het scheen dat hemel en aarde zoude verscheurd worden.
Tegen 2 uren zag ik een parlementair met een witte vredevlag aanreiden en kort daarna hield het vuur op. Daar namentlijk onzen groten krijgsman Prins Willem van Saxe Wijmaar (lees: Van Saxen Weimar) door hunne (lees: zijne) behendigheid Leuven zoo spoedig en onverwagt ingesloten hadden (lees: had), dat koning Leopold, die zich met de 5000 man in deze stad bevond, zich niet konde redden, wierd en gekapituleerd en voor geheel een voor ons voordeligen vrede gemaakt. Bij de kapitulatie hadden de Belgen bedongen een vrijen aftogt met hunne troepen. Zoo trokken zij des nademiddags tad omstreek 4 à 5 uren de Mechelsche poort dag te uit, waar wij geposteerd lagen en waar zij ons voor de Franschen hadden aangezien. In het voorbijtrekken verbraken zij zelven de voorwaarde en begonnen op onze troepen te vuren, dat van onze kant niet onbeantwoord wierd gelaten. ren Hier viel toen een hevige batallie voor, waar veel koppen vielen. Hier wierd de kolonel der Kurassiers Galliaire (lees: de Gallières) en zijn zoon ieder een been afgeschoten. Doch de overwinning was aan onze zeide, daar hun kolonne ophield met vuren, retireerden en de gehele bagasie liet inpakken.
Wij hoorden nu, dat er op een afstand van 1½ uur van ons 50,000 Franschen lagen om den oorlog te staken en den vreden te bewerken. Wij bleven op het slagtveld de bivoakkeren tot den 13den. Op dit bivoak leenden ik van een sargant van de koninklijke jagers H. van Wijk en gaf deze een wissel op oom J. T. van der Veur. Dit bivoak en deze plaats was het belangrijkste van onze kompagnie.
Wij zagen ook dezen dag even voordat wij voor Leuven kwamen de Fransche generaal Beliar (lees: Belliard) passeren, die in ons leger gekomen was om namens de Franschen met ons te onderhandelen. Hier hoorden ik het gerugt lopen, dat de agterhoede en bagasie was ingepakt, waar bij mijn broeder George was.
Zaturdag den 13den Aug. 1831. Dezen dag bleven wij nog op ons bivoak leggen tot des middags 4 uren. Toen trokken wij Leuven binnen, doch hielden niet stil, het ging de Meggelsche poort in en de Tienesche poort weder uit. Leuven – stadhuis – in een valei. Leuven was eenigszins versterkt en gebarrikadeerd in straten. Toen wij Leuven doorkwam aan de Tiennensche kant zagen wij weder de tonelen van den oorlog in al hun kragt. Paarden, menschen, wagens, alles lei verspreid en gedood langs de weg.
Tegen den avond kwamen wij te Lovenjoulen (lees: Lovenjoul). Hier bleven wij den nagt bij de burgemeester, waar alles was vernield, geplunderd en uitgegeten.
Zondag den 15den (lees: 14den) Aug. 1831. Op dit oogenblik zit ik te Tienen bij mijn broeder George in kwartier bij een slagter. Hier zag ik beter, dat er geen bagasie of agterhoede was ingepakt. Wij zijn hier vrolijk en levend bij elkanderen en verlangen naar huis.
Maandag den 16den (lees 15den) Aug. 1831. Dezen morgen te 6 uren vertrokken wij van Tienen naar Duras, een klein dorpje nabij St. Truden. Hier is het schoon kasteel van de graaf Douteremont. Wij waren hier met 10 ingekwartierd bij een boer nabij het kasteel. Op het kasteel waren de generaal de Tombe, onze kapitein en andere officiren in kwartier. De generaal had voor ons den 17 (lees 16) Aug. een zeer goeden soep laten klaar maken, die wij dezen morgen te 5 uren aten. Wij zijn dezen dag hier te Hasseld gearriveerd. Hier ben ik weder bij mijn broeder in kwartier gegaan bij eene Mejuffrouw Millen. Wij beleven hier spektakels door de gierigheid van deze dame. Er zijn in kwartier 9 jagers, 3 officiren, 3 schutters en 4 soldaten.”
Hier eindigt ons dagboek op wel zeer abrupte wijze. Er bestaat dan ook een sterk vermoeden, dat behalve het begin ook het eind van het dagboek verloren is gegaan. Had onze schrijver toch het niet meer noodig gevonden zijne belevenissen gedurende den terugtocht naar Nederland mede te deelen, dan had hij eerder mоеten ophouden, daar de eigenlijke terugtocht reeds aanving op den 14den Augustus.
Ten slotte zullen wij nog vermelden een fragment van het dagboek, vermoedelijk betrekking hebbende op de inspectie, gehouden door den koning op den 23sten Juli 1831 in het legerkamp te Rijen. Dit is niet aan te sluiten bij een passage van het reeds genoemde gedeelte en te aardig om onvermeld te laten.
“…dien besten der Koningen, voor wien ik ook mede de wapens heb aangegord. Hem zie ik komen. Hij passeerd daar onze gelederen. Wij wierden gekoren om de eerewagt te houden bij de koning. Terstond dan ook na het aflopen der inspexi marscheerden wij naar de tent des konings. Luitenant van der Meij riep mij terstond voor met de jager Siccama om voor de tent des konings te schilderen. Niet lang had ik gestaan, of de vorstelijke familie kwam uit de heide terug naar de tent. Al spoedig kwam Prins Willem, de held van Waterlo, bij mij en sprak mij zeer vriendelijk aan, sprak lang over de kompagnie en studie. H.K.H. Prinses Willem vroeg mij, of ik het soldateleven al wat gewoon begon te raken? Dat de verandering in den beginne vooral zeer gevoelig moet geweest zijn. Zijn Majesteid den Koning naderde mij en toen ik mijn geweer prezenteerde, beval Zijn H. mij het geweer te armen, vroeg of ik niet gefatigeerd was, daar wij den ganschen dag zoo onder de wapens gelopen hadden, waarop ik antwoorde: Sire! vooreerst zijn wij nu lang genoeg soldaat geweest om eenige fatiegen door te staan, die ons vroeger zouden gehinderd hebben. Maar vooral zal deze inspexi ons niet veel vermoeijen, want hetgeen men gaarne doet, vermoeid niet. Het is waar! het is waar! Waar studeert u in? In de theologie Siere! antwoorden ik. Zoo – nu mijn Heer, ik wensch U gezondheid zeide Z.K.H. zeer welmenend en vertrok. Z.K.H. liet de gelederen open, inspekteerden onze kompagnie nog eens, wandelde door de gelederen, sprak iedereen aan en gaf zijne tevredenheid over ons zeer te kennen en Z.K.H. bedankte ons voor de eerewagt. Hierop volgde een 3 maal leve de Koning en wij trokken des middags 4 uren naar onze stallen.”
Bronnen en noten
- 1Zie het artikel Belgische Revolutie op Wikipedia.
- 2Erepenning vrijwilligers van het Utrechts Studentencorps Tiendaagse Veldtocht, collectie Centraal Museum.
- 3Het Utrechts Archief: 712-2 Compagnie vrijwillige jagers der Utrechtse hogeschool
- 4Mr. J.W.C. van Campen (1932) “De vrijwillige jagers der Utrechtse Hoogeschool en hun reünies“, Jaarboekje van “Oud-Utrecht”, 1932, p. 109-140.
- 5“Dagboek van Johannes Catharinus van der Veur, vrijwillige jager der Utrechtse Hoogeschool” in de Middelburgschge Courant: deel 1, 1 juli 1939; deel 2, 3 juli 1939; deel 3, 4 juli 1939; deel 4; 5 juli 1939; deel 5 (slot), 6 juli 1939.





